Tweels Tweak

Op De Dikke Blauwe (journalistieke website, magazine & jaarboek over filantropie, doneren, sociaal investeren en besturen) en partnermagazine 'The Fundraiser' publiceer ik de veelgelezen column Tweels Tweak (prikkelende bijdragen over governance, maatschappelijk ondernemerschap, openbaar bestuur, trends, fondsenwerving, politiek, media en management). Sinds 2004 schrijf ik voor De Dikke Blauwe (en voorgangers FM en Filanthropium), eerst als verslaggever voor ontwikkelingen in de US, later als recensent van vakliteratuur - en sinds 2016 als columnist. Hieronder lees je de meeste recente bijdragen. 

 

Marc van den Tweel

 

 

Begin je eigen krant!

Begin je eigen krant! Ideetje voor actiegroepen?
Begin je eigen krant! Ideetje voor actiegroepen?

In sommige kringen is het bon ton om te spreken over de Main Stream Media – en dat is dan níet vleiend bedoeld. Men heeft het dan over de ‘traditionele’ kranten en tv-stations, waarbij het oordeel geveld wordt dat deze gepreoccupeerd zijn en impliciet en expliciet aan politiek-maatschappelijke stellingname doen.
 
Zeker in de US heeft dit geleid tot een (rechtse) tegenreactie. Fox News werd opgericht en talkradio maakte een flinke groei door. Daarna domineerden Trump en de zijnen het internet en de nieuwste trend is dat conservatieve krachten lokale media (kranten en tv-zenders) aan het opkopen zijn! Men ‘moet’ dat wel doen, want de rallies van Trump zijn weliswaar zeer succesvol - lees The Wall Street Journal er maar op na - maar media-aandacht blijft achter. En die is noodzakelijk om een groot publiek te bereiken. De oplossing? Koop een krant. Nu klinkt dat ingewikkelder dan het is. Het verdienmodel van (lokale) media is daar (én hier) volledig opgedroogd, dus voor een appel en een ei koop je tegenwoordig je eigen newspaper. En dit gebeurt in de US, naar verluid, dus op grote schaal. Maar goed: actie is reactie. Kijk maar naar Tara McGowan van Acronym, die, vanuit een progressiever perspectief, hetzelfde aan het doen is: het creëren van eigen media, off- en online – inclusief eigen ouderwetse, lokale kranten van dode bomen.
 
Een ander voorbeeld is de spraakmakende en succesvolle documentaire American Factory, te zien op Netflix. Een documentaire over het verdwijnen van de Amerikaanse middenklasse, waarmee makers Julia Reichert en Steve Bognan (in hun eigen woorden) ‘Nodding heads, but also moving feets.’ voor elkaar proberen te krijgen, veranderingen in (stem-) gedrag. De inschatting van Reichert en Bognan was dat men voor een film als deze niet meer terecht kon bij traditionele, lineaire media (of Main Stream Media, zo u wenst). Ze kozen voor Netflix met daarbij een tour door het land: evenementen met filmvertoningen en discussies, om écht wat in gang te zetten: bereik én beweging.
 
De bottomline is: politiek-maatschappelijke organisaties en -bewegingen zijn in de US niet (of in ieder geval minder) bezig met de vraag ‘hoe komen we in de media?’ - maar met de kwestie ‘hoe creëren we onze eigen space?’. Het gevoel aldaar is dat men wel moet, want het eigen verhaal vertellen kan men bijna niet meer in de media. Vooral niet omdat die alleen nog maar geïnteresseerd lijken te zijn in de controverse (‘want dat is nieuws’) - en gedegen en beschouwende journalistiek afgedaan lijkt te hebben. Wat dat betreft mogen de dames en de heren in de media ook wel eens in de spiegel kijken.
 
Niettemin: een interessante ontwikkeling, waarbij het de vraag is of deze ook gaat overwaaien naar onze zijde van de grote plas. Of het goede ontwikkeling is, is daarbij overigens nog de vraag. Een onafhankelijke kwaliteitspers met ouderwetse hoor-en-wederhoor is ook wat waard lijkt me. Hoe ouderwets dat misschien ook is.

 

 

► Wilt u alle columns van Marc van den Tweel teruglezen? Klik hier. 

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(november 2019)

 

Een hamer ziet elk probleem als een spijker

Toen ik ooit opgeleid werd tot organisatieadviseur, was een belangrijk element in de leergang die ik doorliep het voorkomen van pigeonholing, dat is in organisatiekundige kringen namelijk een echte faux pas. Pigeonholing is door Yale-professor Charles Perrow beschreven als het definiëren van problemen in termen van oplossingen die jezelf kunt bieden. Abraham Maslow schreef het al: ‘Als je alleen een hamer hebt, neig je ernaar elk probleem te zien als een spijker.’ Een slagje minder academisch: hokjes denken eigenlijk, je bedenkt of ziet een frame (stelling) en zoekt daar bewijsvoering bij. Wat je aanname versterkt gebruik je, voor andere argumenten sta je minder of niet open.
 
Ik moest daar de afgelopen weken een paar keer aan denken. Het begon met alarmistische koppen op de voorpagina van de Volkskrant, dat Goede Doelen de steun van vaste donateurs aan het verliezen zijn. Nu grossiert deze krant tegenwoordig in koppen als chocoladeletters als het om Goede Doelen gaat, dus dat relativeert de urgentie behoorlijk. Maar toch, maar even verder lezen. En dan blijkt dat alleen de 25 grootste jongens (m/v) bekeken zijn. Daarvan was er één écht aan het verliezen en bij vier anderen viel het relatief mee…. 
 
Brancheorganisatie Goede Doelen Nederland reageerde Labrador-achtig (blijmoedig en positief) op het nieuws - en in De Dikke Blauwe was eindbaas (hoofdredacteur) Don Akkermans daar op zijn beurt weer kritisch op. Zo zegt ook DDB-columnist Mirjam Vossen rake dingen hierover, zoals dat een betere analyse op zijn plaats is, want er zijn óók winnaars in dit veld. Maar en-passant zegt ze wel ‘dat de grote natuur- en milieuorganisaties allemaal vaste donateurs inleverden.’ Nu klopt dat niet helemaal, want bijvoorbeeld ‘mijn eigen’ Natuurmonumenten liet een plusje zien. Maar het illustreert volgens mij, dat er sprake is van pigeonholing bij journalisten, columnisten en ook de wetenschappers van het VU-onderzoek ‘Geven in Nederland’. Op zoek naar bevestiging (voorbeelden) dat de trend naar beneden gaat. 
 
De vraag is of men ziet wat er écht gaande is. Groot was de verbazing bijvoorbeeld eind 2015, toen VARA’s Vroege Vogels de jaarlijkse donateurs/ledenaantallen van natuur- en milieuorganisaties publiceerde. De organisatie DierenLot kwam deze ‘hitparade’ ineens binnen met 100.000 donateurs! Dat die club zo groot was geworden (in relatief korte tijd), was bijna geen enkele ‘expert’ opgevallen… Ook nu zien we hen niet terug in de overzichten… Zelf deed ik daarom maar even navraag - en wat blijkt: DierenLot is in de afgelopen vier jaar bijna verdubbeld qua achterban! Zouden er nog meer organisaties zijn die ‘we’ niet kennen, maar toch substantiële omvang hebben én groeien? 
 
Los daarvan, inderdaad: sommige clubs groeien en sommigen dalen, de vraag is of dat altijd met hun relevantie dan wel afgenomen interesse van het publiek te maken heeft.  Er is waarschijnlijk niet één verklaring. De resultaten van organisaties zijn ook afhankelijk van andere factoren, zoals bijvoorbeeld een consistent marketingbeleid en adequate bestaffing en investeringen. Als dat niet afdoende op orde is, zie je dat terug in de resultaten. Dit zie je, begrijpelijkerwijs, niet terug in de onderzoeken. 
 
Natuurlijk. There is no question about that: er is er sprake van volatiliteit in de samenleving/markt en loyaliteit en een evenwichtige leeftijdsopbouw van de achterban, zijn hele belangrijke thema’s voor maatschappelijke organisaties. Thema’s die vragen om adequate antwoorden. 
 
Maar er zijn tegelijkertijd ook allerhande mooie bewegingen gaande, die zich voor een belangrijk deel buiten het gezichtsveld van de klassieke ‘charity-watchers’ afspelen. Interessante bewegingen. Denk aan de opkomst van donatieplatforms, de sterke groeiende hoeveelheid lokale initiatieven en idem voor Social Enterprises, de betrokkenheid van het MKB en de opkomst van Social Fundraising en evenementen. Ik durf daarom de stelling wel aan dat maatschappelijke betrokkenheid toeneemt (maar dat mooie nieuws is waarschijnlijk niet interessant genoeg voor de voorpagina van de krant). Of doe ik nu aan pigeonholing?

 

 

► Wilt u alle columns van Marc van den Tweel teruglezen? Klik hier. 

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(oktober 2019)

 

Pandabroodje

Verleden week bij de bakker was het onmiskenbaar: het Pandabroodje vierde zijn dertigjarig bestaan. Volop instore-reclame maakte dat je dat niet kon missen. Een oer-sympathiek product, dat per verkocht brood een paar cent oplevert voor het Wereld Natuur Fonds. Het lijkt niet veel, maar het  is de moeite waarde, want het leverde inmiddels al zo’n 4,2 miljoen euro op voor de goede zaak…(massa maakt kassa…).
 
In vaktermen heet dit Cause Related Marketing (excuus, vanaf nu volgt nog meer Engelstalig marketingjargon). Het is een simpel concept. Het goede doel krijgt de gelegenheid om over de missie te vertellen op product of in flankerende reclame (mooie exposure - op de winkelvloer en via verpakkingen bereik je immers meer mensen dan via de krant!), er is een financiële afdracht per verkocht product (en vaak ook nog een signing-fee voor de brand-transfer), het levert aantoonbaar aanzienlijk meer sales entraffic op voor het betreffende bedrijf en óók nog een goed gevoel bij de consument.
 
Tegelijkertijd: het jargon wat ik hier gebruik zorgt voor jeuk bij sommige goede doelen. Het jaagt vragen aan als: ‘Worden we niet misbruikt?’, ‘Is het niet te plat?’, ‘Wat vinden mijn collega’s ervan?’, ‘Is het niet te commercieel?’, ‘Lenen we ons voor Greenwashing?’. Er ontstaat bij goede doelen snel de stemming dat het niet chique genoeg is. En ook dat je alleen zo zichtbaar kunt samenwerken, als je tegelijkertijd ook de corebusiness van het bedrijf verandert. Een ambitieuze alles-of-niets strategie. Helaas zijn er nog (te) weinig voorbeelden, waarin dát lukt…
 
Ook bij Nederlandse bedrijven is er steeds minder enthousiasme voor Cause Related Marketing. Eigenlijk spelen daar dezelfde issues als bij die goede doelen. Niet chique genoeg, en: ‘Hoe past dit in het grotere verhaal?’, ‘Wat vinden mijn collega’s ervan?’
 
Het lijkt erop dat reacties van peers belangrijker zijn geworden dan die van de consument. Want die is wèl enthousiast! Het laat ook gebrek aan koopmanschap zien (bij bedrijven en Goede Doelen). In de drang naar groot, meeslepend, strategisch, ethisch en esthetisch zijn deze prachtige, praktische initiatieven met impact en win-win voor iedereen, bijna verdwenen. Hoeveel echte Cause Related Marketing-cases zien we momenteel nog? Het kind is met het badwater weggespoeld…
 
Mijn ‘marketeer-met-een-missie-hart’ maakte afgelopen zomer in de US dan ook een sprongetje. Daar doen ze er gelukkig nog wel aan! Ik zag Kellogg’s producten die me vertelden dat 1-op-de-6 kinderen geen ontbijt krijgt - en dat ik daar wat aan kan doen met het kopen van cereals (een prachtige donatie voor het No Kid Hungry project). Ik las op de verpakkingen van Lay’s hoe ik kinderen met schisis, een aangeboren gezichtsafwijking, via Operation Smile kan helpen. Bij drogisterijketen Perfumania dragen ze per verkocht product een dollar af voor leukemie-onderzoek. Ook verder maar niet te spreken over de tientallen social enterprises die ik zag, van klein tot groot (mooi voorbeeld: de productenlijn van filmster Paul Newman; sauzen en dressings waarvan de volledige de winst naar goede doelen gaat. Dat gaat dus over honderden miljoenen dollars). Iedere dag weer, bij bijna iedere aankoopbeslissing, werd mij een verhaal verteld en kon ik iets maatschappelijks betekenen, hoe klein ook. Bewustwording en fondsenwerving, hand in hand.
 
Prachtige voorbeelden waar ik blij van word (zò mobiliseer je als goed doel de samenleving). Ze stemmen me tegelijkertijd ook verdrietig. Want in het Nederlandse elitarisme van veel Goede Doelen en bedrijven past deze MKB-achtige pragmatiek niet meer. Zonde. Heel jammer. Ik zou zo graag weer meer Pandabroodjes cum suis willen zien!

 

 

► Wilt u alle columns van Marc van den Tweel teruglezen? Klik hier. 

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(september 2019)

Grijs is een mooie kleur...

Ondanks als scherp ervaren tegenstellingen in het publieke debat, zijn Nederlanders eensgezind over wat Nederland tot Nederland maakt. We zijn het in de basis zelfs erg met elkaar eens! Dit blijkt uit het verleden week verschenen rapport Denkend aan Nederland van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP); een onderzoek naar wat Nederland voor de Nederlanders betekent. Uit het SCP-rapport blijkt ook dat de uitersten in het maatschappelijk debat klein zijn in aantal, maar fel in toon. Het gaat bij deze flankendiscussies vooral over een normatieve botsing van wereldbeelden. Laat daar nu het grootste deel van de Nederlanders niet mee bezig zijn! 
 
NRC Handelsblad geeft nadere duiding aan deze uitkomst: ‘Volgens het SCP is Nederland lang niet zo verdeeld als politici doen geloven. Politiek heeft de kloof met burgers vergroot. Politici kunnen polarisering aanwakkeren, door één archetype tot gewone Nederlander te verheffen en diens opvattingen tot de standaard. Dáár moet naar geluisterd worden, de rest moet zich schikken. Daarmee bereiken politici het tegendeel van wat ze beogen. Ze willen burgers bereiken door hun veronderstelde zorgen te benoemen. Maar door die zorgen uit te vergroten, creëren ze juist afstand tot diezelfde burgers. Het door burgers meest genoemde negatieve kenmerk van Nederland volgens het SCP? De politiek (17 procent). En de grootste bedreiging: polarisatie (77 procent).’
 
Zo, die mogen de dames en heren politici in de zak steken… De duizenden (!) schriftelijke vragen die Tweede Kamerleden stellen en dito aantal moties, versterken in ieder geval het (ongunstige) beeld van politici in de samenleving. Veel effectbejag, weinig resultaat, profileringsdrang, tegenstellingen opzoeken. Dat zou anders moeten kunnen, met als resultante meer aandacht voor het algemeen belang en degelijk bestuur. En ik denk dat de meeste politici daar deep-down hetzelfde over denken.
 
Maar die analyse van NRC kun je ook lezen als een jij-bak. In het SCP-rapport staat namelijk óók dat (sociale) media - ondanks de grote mate van overeenstemming - een beeld van een gepolariseerd land schetsen waarin tegenstellingen overheersen. Kijk en lees maar eens kritisch naar sommige columnisten in landelijke kranten, research-, consumenten- en undercover-programma’s op tv. Ze schetsen (soms/vaak, het is maar hoe je ernaar kijkt) een cynisch beeld van de werkelijkheid, waarbij waarheidsvinding niet het primaire uitgangspunt is. Men voedt bewust en onbewust tegenstellingen, cynisme en complottheorieën. Verfrissend dan ook dat er ook media zijn zoals Trouw, die daar kritisch op zijn. Goede politiek en goede journalistiek helpen mee om erachter te komen hoe het werkelijk zit, zonder karikaturen te schetsen. Grijs is een mooie kleur, zeg ik daarom, geïnspireerd door de Dare-to-be-Grey-beweging.
 
► Wilt u alle columns van Marc van den Tweel teruglezen? Klik hier. 

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(juli 2019)

Don't shoot the messenger

Het is een van mijn favoriete urban legends. Een mooie anekdote, uit de jaren zeventig, waarvan ik niet zeker weet of deze waar is (maar, zei Mark Twain niet al: Never let the truth get in the way of a good story?). VVD-leider Wiegel en PvdA-voorman Den Uyl zouden medio jaren zeventig - voorafgaand aan hun ledenvergaderingen - onderling een keer van speech gewisseld hebben. Wiegel hield dus een PvdA-betoog en Den Uyl een onversneden VVD-verhaal. Het resultaat? Beiden kregen na hun optreden een staande ovatie van hun achterban… De boodschapper was kennelijk belangrijker dan wat hij feitelijk te zeggen had. 
 
Een recenter voorbeeld, dat eigenlijk de andere kant opgaat: ik hoorde iemand zeggen dat de Amsterdamse burgemeester Halsema zich op Dodenherdenking sterk partijpolitiek uitgelaten had. Dat geeft geen pas, een burgemeester hoort niet aan politiek te doen, zeker niet op zo’n bijeenkomst. Interessant is het dan ook om de feitelijke speech van Halsema terug te lezen. Een keurig (en goed) verhaal dat vrijwel iedere bestuurder uitgesproken had kunnen hebben… Niks partijpolitiek.
 
Ook deze anekdote laat zien dat de boodschapper er méér toe doet dan de feitelijke boodschap. Vermakelijk voorbeeld, zeker, maar het is al wat stekeliger geworden. Een Argumentum ad hominem (‘argument op de mens’) eigenlijk. Een tegenwerping die betrekking heeft op de persoon die een bewering doet, niet op de bewering zelf. In ‘gewoon’ Nederlands: op de man (m/v) spelen.
 
Ach, het zijn nog relatief onschuldige voorbeelden. In vroeger tijden was het ‘goed’ gebruik om de boodschapper van het slechte nieuws te vermoorden: je woede botvieren op de brenger van de onwelkome boodschap, in plaats van op de auteur van de boodschap.
 
De les is in de loop der jaren eigenlijk hetzelfde gebleven: een onderzoekende en onbevooroordeelde geest is van groot belang. Laten we vooral proberen naar de feiten te (blijven) kijken, zaken op hun merites te beoordelen en ons minder te laten leiden door wie-wat gezegd heeft. De boodschap centraal in plaats van de boodschapper. Goed voor de kwaliteit van het publieke debat, goed voor meningsvorming, goed voor het nemen van degelijke besluiten.
 
► Wilt u alle columns van Marc van den Tweel teruglezen? Klik hier. 

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(juni 2019)

 

 

 

'Ik vertrek': de reis naar zingeving

Het is een goed bekeken tv-serie van AVROTROS: Ik Vertrek. Een serie reportages, waarin Nederlanders, die hun geluk in het buitenland gaan beproeven, gevolgd worden. De programma’s worden deels bekeken uit leedvermaak, je ziet mensen onvoorbereid en naïef de stap zetten om te emigreren en iets totaal anders te gaan doen. Vaak mislukt dat, en dat is amusant om te zien (hoe cynisch dat ook klinkt). Maar het succes van het tv-programma is ook te verklaren, doordat veel kijkers het gevoel van de deelnemers herkennen; dat latente gevoel: ‘moet ik niet wat anders gaan doen met mijn leven?’ en ‘is this all there is?’. Zingeving dus. Overigens: er zijn ook veel deelnemers aan het programma die wél succesvol zijn (gelukkig).
 

Nu hoef je niet te emigreren om een verandering in je leven aan te brengen. Een spraakmakend, aandachttrekkend en inspirerend voorbeeld was de afgelopen maand de transfer van Merel van Vroonhoven. De bestuursvoorzitter van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) verruilt boardroom, riant salaris en auto met chauffeur voor een opleiding aan de Pabo, tot leerkracht in het speciaal onderwijs. 
 
Topvrouw Van Vroonhoven legt in het 
Financieele Dagblad de vinger op de zere plek: ‘Dienstbaarheid aan de samenleving is een issue. Vroeger was die dienstbaarheid vanzelfsprekender. De samenleving is door het wegvallen van instituties als de kerk of de vereniging meer gesegregeerd. Er zijn minder verbindingen. Dat is een gemis want het leidt tot polarisatie.’
 
Nu is zo’n rigoureuze stap à la Van Vroonhoven natuurlijk niet voor iedereen weggelegd. Maar als je als Top Dog het knagende gevoel hebt dat je iets maatschappelijks wilt bijdragen, is een bestuurs-, toezichthoudende of adviserende functie bij een maatschappelijke organisatie een voor de hand liggende stap. Prima natuurlijk. Maar wel een relatief veilige stap.
 
Voor wie écht op zoek naar verbinding is, voor wie benieuwd is hoe het er op andere plekken aan toegaat dan waar je normaal bivakkeert (uit je bubbel!), voor wie het gevoel heeft dat je concreet íets wilt doen, zijn er voldoende handen-uit-de-mouwen opportunities. Onze minister-president is wat dat betreft een inspirerend voorbeeld: naast zijn premierschap geeft hij al elf jaar parttime 
les in Nederlands en Maatschappijleer aan de Haagse Johan de Witt Scholengroep. Stel je voor dat meer mensen uit de top van onze samenleving dit soort dingen zouden doen: het zou heel wat van de segregatie in ons landhelpen oplossen. En helpt heel wat bestuurders in het hervinden van zingeving. Win-win noemden we dat een paar jaar geleden nog…
 
► Wilt u alle columns van Marc van den Tweel teruglezen? 
Klik hier. 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(mei 2019)

 

#DOESLIEF: zelden werd de tijdgeest beter geraakt...

Bewustwordingscampagnes lijken niet meer van deze tijd. Toch ben ik razend enthousiast over de campagne #DOESLIEF van SIRE, omdat volgens mij zelden de tijdgeest beter werd geraakt.
 
Weet u het nog? Tot 2012 hadden we in Nederland Postbus 51. Spotjes op radio en tv waarmee de Rijksoverheid probeerde ons gedrag te veranderen. Vaak hadden ze een sympathieke toon. Maar commentaar was er ook, sommigen beschouwden het als ‘overheidspropaganda’ of als ‘betutteling’. En over het effect van de uitingen, onder-aan-de-streep, was ook nog het nodige te zeggen. ‘Deed’ het ook wat?
 
Naast Postbus 51 hebben we sinds de jaren ’60 SIRE (Stichting Ideële Reclame), een initiatief van de Nederlandse reclamebranche om maatschappelijke onderwerpen te agenderen. Dat leek eigenlijk behoorlijk op de inspanningen van de overheid en begon allemaal vrij braaf - en ook hier zou je kritisch over de effecten kunnen zijn.
 
Waarschijnlijk ook omdat lang vastgehouden werd aan het AIDA-model. Een marketingmodel waarbij vier stappen voorgeschreven worden (AIDA is een acroniem dat gevormd wordt door Attention, Interest, Desire en Action). Het komt er op neer dat je eerst moet werken aan bewustwording, voordat mensen in beweging gaan komen en je ze daartoe oproept. De veronderstelling is dat je moet werken aan een opbouw, komt voort uit een tijd die rustiger en voorspelbaarder was, een tijd met aanzienlijk minder prikkels. Een tijd waarin je de premisse kon aanhangen dat het bewustzijn lang bleef hangen. SIRE heeft dat model in de klassieke vorm verlaten. Alleen hier en daar, bijvoorbeeld bij brancheorganisaties en bij bestuurders die niet met hun tijd meegegaan zijn, kom je het geloof in AIDA nog tegen… Geldverbranding zou je die bewustwordingscampagnes zonder handelingsperspectief kunnen noemen.
 
Met het meer verbonden raken met de ritmiek van de samenleving, heeft SIRE zich ook losgemaakt van de braafheid. Knap hoe men dat gedaan heeft. Maar voor hun nieuwste campagne #DOESLIEF maak ik een diepe buiging! Zelden werd de tijdgeest beter geraakt. In negatieve zin: ‘in 2018 werden 146.571 scheldtweets met het woord kanker genoteerd’; als in positieve zin: mensen hebben genoeg van de hufterigheid in de samenleving. Met de #DOESLIEF campagne houdt SIRE Nederland een spiegel voor, door harde statistieken te laten zien en ook voorbeelden van dagelijks onaardig gedrag. Met het ontwapenende ‘DOESLIEF’ spoort SIRE mensen aan, om elkaar met één woord aan te spreken op onaardig gedrag. Dit gaat op de een of andere manier merkbaar worden in de samenleving, daar ben ik van overtuigd. Chapeau!
 
 Wilt u alle columns van Marc van den Tweel teruglezen? Klik hier.  

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(april 2019)

 

 

Gele Hesjes in de Boardroom

Bedrijven worden steeds vaker door het publiek ter verantwoording geroepen als er ontevredenheid heerst. Denk aan thema’s als privacy, beloningen, dividendbelasting, energietransitie, gezondheid en sociale ongelijkheid. De hardhandigheid van dat ter verantwoording roepen neemt flink toe, ook in de politiek weet men wat dat betreft van wanten. Waar dit geluid eerst primair van de linkervleugel kwam, blaast men nu ook aan de rechterzijde een aardig deuntje mee. De reactie van bedrijven is vaak dat dit populisme, kippendrift en scoringsdrang van politici is. En eerlijk-is-eerlijk: daar hebben ze voor een belangrijk deel gelijk in! 
 
Maar het is wél de realiteit. Je ervoor afsluiten heeft dus niet zo veel zin. Onze premier sprak zich ook al uit dat topmensen van Nederlandse multinationals zich vaker moeten laten zien in de media. Dat moet de moeizame relatie die er op het moment is tussen bedrijfsleven en samenleving (én de politiek) herstellen. Rutte riep bedrijven op zich te verbinden. ‘Engageer op een breder front, word zichtbaar. Ga naar talkshows en praat met journalisten.’ Communicatiestrategen Bartho Boer en Cees van Riel schreven er onlangs ook nog een uitstekende opinie over in Het Financieele Dagblad.
 
En ja, natuurlijk is interactie belangrijk (en dat kan beter), maar het gaat uiteindelijk níet om een communicatie-trucje. De basis moet kloppen. En daar schort nog wel wat aan. Ik heb het van nabij gezien: bedrijven kennen hun klanten en markten, maar hebben vaak een schokkend gebrek aan feitenkennis, inzicht en gut feeling in hoe de samenleving functioneert en zich ontwikkelt. Laat staan wat dat kan betekenen voor hun eigen license to operate.
 
Het recent verschenen pleidooi van een werkgroep van ervaren commissarissen, verbonden aan AWVN (Algemene Werkgeversvereniging Nederland) en het Nationaal Register, is dan ook verfrissend. In een vlog en whitepaper pleit men er voor om ‘mens en maatschappij’ hoger op de agenda in bedrijven en organisaties te zetten. 
 
Terecht constateert men dat gedrags- en governancecodes (en ook de eigen bias) bestuurders en commissarissen aanzet tot focus op financiën, verantwoording, benoeming en beloning, auditing en risicobeheersing. Dit leidt te vaak tot ‘ticking-the-box’ gedrag en potentieel tot minder aandacht voor markt- en organisatieontwikkeling – en zelden tot oog voor de relatie met de samenleving. 
 
Men pleit dan ook voor aanpassing van de huidige Corporate Governance Code, die binnenkort aan revisie toe is. Volgens mij een welkome stap. Maar pas op: ook dit kan leiden tot ‘ticking-the-box’-gedrag – het èchte verschil gaat gemaakt worden door mensen. Een diversere samenstelling van de top leidt pas echt tot resultaat. Daarbij mag de discussie niet verengd worden tot culturele achtergrond of gender, zoals nu gebeurt. Daar is méér voor nodig. Nee, ik pleit niet voor de entree van de Gele Hesjes in de Boardroom, maar wel voor meer mensen aan boord die gevoel hebben voor wat er speelt in de samenleving!  Lees daarover meer in eerdere Tweels Tweaks: hier en hier

 

(maart 2019)

 


 
► Wilt u alle columns van Marc van den Tweel teruglezen? Klik hier.  

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.
 

'Kijk eens naar je eige...'

De discussies rond transparantie- en loterijwetgeving roepen in toenemende mate de vraag op: ‘welk probleem lossen we hiermee op?’. Volgens DDB-columnist Marc van den Tweel een terechte reflex en goede antipode voor institutionalisering en bureaucratisering. Het grote gevaar is dat alle ondernemendheid eruit gepe(r)st wordt. De sector mag daarbij ook kritischer op zich zelf zijn: ‘kijk eens naar je eige!’

Op het gevaar af dat het clichématig wordt: maar als er iemand op mij afkomt met een ingewikkeld pakket aan maatregelen, stel ik vaak als eerste de vraag: ‘welk probleem lossen we hiermee op?’. Niet zelden komt er dan een terugtrekkende beweging, omdat het probleem niet eenvoudig te definiëren is – laat staan een directe relatie heeft met de  maatregelen. Het is een goede antipodetegen de oer-Nederlandse drift tot institutionalisering en bureaucratisering, die het maatschappelijk middenveld en vele andere organisaties teistert.
 
Tot mijn vreugde zie ik dat ‘de branche’ nu, beschaafd maar krachtig, laat weten dat het conceptwetsvoorstel Transparantie maatschappelijke organisaties (dat regelt dat de naam van een donateur met een gift van 15.000 euro of hoger publiekelijk bekend gemaakt moet worden) naar de prullenbak dient te verdwijnen. Inderdaad: omdat niet duidelijk is welk probleem er mee opgelost wordt.
 
Behalve het stellen van de louterende vraag ‘welk probleem lossen we hiermee op?’ is het ook goed om na te denken over wat nu ècht het verschil maakt - het Pareto-principe: 80% van het resultaat komt voort uit slechts 20% van de oorzaken. Kortom: je moet je richten op wat er ècht toe doet. Dit wordt goed geïllustreerd door de discussie
over de afdracht aan goede doelen door loterijen: ‘Much Ado About Nothing’. Bijna wordt vergeten dat met geld van loterijen projecten in de haarvaten van de samenleving worden gerund. Van het Schuldhulpmaatje in Oldebroek tot het herinneringscentrum Oranjehotel in Scheveningen en Boeren voor Akkervogels in Zeeland. Dàt zou centraal moeten staan in de discussie: het maatschappelijk effect!
 
Al dit gedoe is illustratief voor een overmatig geloof in systemen en procedures – en te weinig oog voor de ‘bottom line’. Goed dat de sector daar stelling tegen neemt. Maar ‘kijk (ook) eens naar je eige’ zou ik zeggen. In ‘de branche’ stikt het inmiddels ook van de codes, protocollen, roadmaps, erkenningsregelingen, en wat dies meer zij. En dan hebben we het nog niet eens over allerlei markt ordende principes (die in andere sectoren beslist door NMa onder de loupe genomen zouden worden). Het grote gevaar is dat alle ondernemendheid eruit gepe(r)st wordt. Daarom: laten we de vraag blijven stellen, aan anderen èn ons zelf, bij alle huidige en toekomstige maatregelen: ‘welk probleem lossen we hiermee op?

 

(februari 2019)
 
Wilt u alle columns van Marc van den Tweel teruglezen? Klik hier. 

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.
 

Tweels Tweak in 2018: Doornen in mijn vlees

'Ik moet wel op een bed van rozen liggen, want ik voel de doornen in mijn vlees'.” (Fliegende Blätter).
'Ik moet wel op een bed van rozen liggen, want ik voel de doornen in mijn vlees'.” (Fliegende Blätter).

Met veel plezier heb ik ook in 2018 weer een stuk of tien columns geschreven voor De Dikke Blauwe onder de vlag Tweels Tweak. Columns over burgerschap, politiek, media, regelzucht, hokjes denken en wat dies meer zei. Niet altijd even politiek correct, maar veelgelezen – en dat doet een schrijver deugd…
 
Terugblikken op 2018 ga ik niet doen. Eén statement wil ik er wel over maken – en dat is een citaat: “Een echte optimist redeneert als volgt: 'Ik moet wel op een bed van rozen liggen, want ik voel de doornen in mijn vlees'.” (Fliegende Blätter). Dàt is hoe ik terugkijk op het afgelopen jaar: 365 dagen met volop hoopgevende ontwikkelingen (dat is de optimist in mij) - en óók wat stekeligheden, en gelukkig maar, want zij zijn de brandstof voor een columnist!
 
Een wens voor 2019? Gewoon doorbuffelen. Vooral laten zien wat voor impact we hebben als sector. Zonder terughoudendheid en voortdurend defensief geneuzel. Laat de nummer 1 van De Dikke Blauwe Top 100 (de verkiezing van de meest impactvolle maatschappelijk ondernemer), Tom Oostrom van de Nierstichting, ons allen tot voorbeeld zijn. Hora est!

 

(december 2018)


►Wilt u alle columns van Marc van den Tweel teruglezen? Klik hier.

Van de samenleving

Goede Doelen die niet merkbaar en zichtbaar van de samenleving zelf zijn, verliezen snel hun bestaansrecht.
Goede Doelen die niet merkbaar en zichtbaar van de samenleving zelf zijn, verliezen snel hun bestaansrecht.

Het was (weer) interessant om verleden week de verkiezingen (midterms) in de US te volgen. Tenminste, als je geïnteresseerd bent in politiek, campagnes en maatschappelijke betrokkenheid van burgers. En tijd voor wat soul searching.
 
Even terug in de tijd. Twee jaar geleden ontstond in de US een nieuwe politieke werkelijkheid. De democraten die met hun hoog-over-idealen, identity politics en ideeën over verre buitenlanden goed scoorden bij urbane hoogopgeleiden, gingen kopje-onder bij de doorsnee-Amerikaan die zich niet in die thema’s herkende. Datzelfde gold overigens ook voor de klassieke republikeinen, met hun focus op big corporates en militaire interventies in exotische oorden. Ook zij liepen een flinke kras op de neus op. 
 
De (klassieke) politiek van het midden heeft zich echter deels (!) herpakt - en is op zoek gegaan naar herstel van contact met de samenleving, op zoek naar wat mensen ècht belangrijk vinden. Ik las bijvoorbeeld over de Texaanse kandidaat Beto O’Rourke die volstrekt kansloos werd geacht voor een overwinning in zijn staat, maar die wel heel erg dichtbij kwam. Verklaring voor het relatieve succes? Hij bezocht het afgelopen jaar alle 254 kiesdistricten in zijn staat en ‘leerde’ wat mensen echt beweegt. Inderdaad, hij was in contact. Kennelijk is dat het recept.
 
Los zingen van de werkelijkheid (‘what makes people tick?’) kan grote gevolgen hebben – en herstel is lastig. En dan nu de hamvraag: wat heeft dit te maken met het maatschappelijk middenveld en Goede Doelen? Welnu, er zijn wel een aantal parallellen te trekken. In het nieuwste nummer van het vaktijdschrift Advancing Philanthropy  (oktober 2018) is dat nog eens zichtbaar gemaakt. Terwijl een aanzienlijk deel van de Amerikanen in het heartland woont, gaat een extreem onevenredig deel van de filantropische investeringen naar de grote steden aan de oost- en westkust èn naar het buitenland. Objectief gezien is dat vreemd, als je bedenkt hoe een aanzienlijk deel van dat heartland erbij ligt. Er is in delen sprake van een sociale crisis, met armoede en tekortschietend onderwijs en gezondheidszorg. Om maar één van de droevige cijfers op te lepelen: de levensverwachting ligt in deze gebieden bijna twintig jaar lager (!) dan in de steden aan de kust. Auteur Susan Raymond stelt dan ook terecht de retorische vraag: wat is het verschil tussen een hongerige, arme en gehandicapte persoon in Nairobi versus een inwoner van Alabama in diezelfde situatie? Sustainable Development Goals zouden niet alleen over ver-weg moeten gaan. Raymond roept op om niet in die valkuil van Amerikaanse politici terecht te komen: problemen dichtbij huis negeren of ontkennen. Als dat wèl gebeurt leidt dat tot vervreemding van de samenleving met Goede Doelen. Tot scepsis, tot wantrouwen en verwijdering. Tot gebrek aan contact en (h)erkenning. Tot het gevoel dat filantropische organisaties, burgerinitiatieven bij uitstek, niet meer van ‘ons’ zijn – waarna een harde afrekening volgt. Een reëel risico. 
 
Het is natuurlijk verleidelijk om te denken: ‘ach, dat is in Amerika, dat speelt hier niet.’ Maar is dat zo? Zijn organisaties als die van u en mij nog wel voldoende in contact? Weten wij genoeg wat er ècht speelt? Of bedenken wijzelf wat de idealen zijn - en zijn die wellicht ook hoog-over? Tijd voor soul-searching zou ik zeggen. Want Goede Doelen die niet merkbaar en zichtbaar van de samenleving zelf zijn, verliezen snel hun bestaansrecht. En dat is dan ook nog eens terecht…

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(november 2018)

 

 

De morele hoogzit

Veel organisaties zijn, bijna krampachtig, op zoek naar hun ‘Why’, een begrip geïntroduceerd door managementgoeroe Simon Sinek. Waar het op neer komt is de vraag: waartoe zijn wij op aarde? Dit wordt ingegeven door de sterke behoefte van veel mensen aan een ‘stip op de horizon’ (excuus voor dit jeukjargon). In de meeste missie gedreven organisaties, zoals Goede Doelen, is dat geen issue. Waar men voor of tegen is, is meestal kristalhelder. 
 
Een sterke missie is brandstof voor een organisatie en de mensen die er werken. Er is echter ook een andere kant aan. Vaak is zo’n missie een absolute grootheid, vergaand ideaal, dat het bijna onmogelijk is om het te halen. Een missie zou volgens mij dan ook vooral richting moeten geven, energie moeten sturen. Een beetje zoals het Amerikaanse spreekwoord: ‘Reach for the Moon, even if you miss, you’ll land among the stars.’ Het gevaar als je er af-en-toe niet zo naar kijkt, is dat je in een paar valkuilen terecht komt.
 
Cynisme is er één van. Stel je werkt twintig jaar bij een mensenrechtenorganisatie. Dan kun je (gaan) denken: ‘Het maakt niet uit wat we hier doen’; want het ideaal, de missie van een wereld zonder mensenrechtenschendingen, is niet dichterbij gekomen en wellicht verder weg dan ooit. 
 
Een sterke missie kan ook leiden tot monomanie, het niet meer zien dat er ook andere belangen en afwegingen in het leven zijn. Of tot morele superioriteit (de morele hoogzit). Dat leidt niet alleen vaak tot een maatschappelijk isolement, het niet meer begrijpen van de tijdgeest - maar ook tot het missen van samenwerkingskansen - door niet meer te zien waar anderen voor in beweging komen. Ongeduld is ook nog zo’n bijwerking. Als het ideaal niet snel genoeg dichterbij komt neemt geduld met de rechtstaat en de democratie soms af. ‘Als men niet wil luisteren, moet het maar zó.’
 
Kortom: aan kristalheldere missies (overtuigingen) zijn soms bijwerkingen verbonden. Gelukkig, doen ze zich niet bij iedereen voor. Zeer lezenswaardig in dit verband is het interview in Trouw met klimaatcoryfee Sible Schöne. Een inspirerende  illustratie van hoe je met een sterke ‘Why’, stellige opvattingen kunt blijven houden en desondanks oog voor de buitenwereld houdt en daardoor effectief kunt zijn. Een moeilijke opgave, zeker - maar het proberen meer dan waard. 

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(oktober 2018) 

 

 

Gelieve dit etiket te verwijderen s.v.p.!

Intrigerende cross-overs (sector overschrijdende carrièrestappen), je ziet ze af-en-toe. Verleden jaar bijvoorbeeld toen de burgemeester van Bunnik, Hans Martijn Ostendorp, directeur van betaald voetbalclub De Graafschap werd. Of wat dacht u van Pier Eringa, nu de baas bij ProRail en daarvoor gemeentesecretaris, ziekenhuisbestuurder en politiechef. Of Roger van Boxtel die via de politiek en een ziektekostenverzekeraar bij de Nederlandse Spoorwegen terecht kwam. Intrigerende loopbanen, maar in Nederland toch nog relatieve uitzonderingen. Jammer, want volgens mij kunnen dergelijke transfers wel eens heel goede impulsen aan organisaties (én loopbanen) geven. 
 
Dat dergelijke cross-overs relatief weinig voorkomen, heeft zeker te maken met de Nederlandse hokjes(geest). Het is fijn om iemand een etiket op te kunnen plakken, daar houden we enorm van. En als je eenmaal in een bepaalde sector, op een bepaald niveau, aangekomen bent krijg je daarna vooral aanbiedingen voor nieuwe banen, bestuurs- en nevenfuncties in, inderdaad, ‘hetzelfde hokje’. Zo gaan die dingen. Het gold lang ook als een aanbeveling, als een goed carrière-advies: ontwikkel een duidelijk profiel. Of zoals een van mijn voormalige werkgevers (een bekend managementadviesbureau) zei: ‘Je moet een label hebben. Een branche waarop je herkenbaar bent. Een etiket op je voorhoofd als het ware.’ Het gevolg van die herkenbaarheid was dat je opdrachten uit de betreffende sector kreeg. Maar uit andere hoeken bleven ze uit. Dat was de flipside.
 
In loopbaantermen betekent dit voor (te) veel mensen, dat ze op een gegeven moment alleen nog maar aan het ‘brengen’ zijn, niet meer aan het ‘halen’; zichzelf te weinig ontwikkelen, niet meer bijleren. Te weinig van de rest van de wereld zien. Nieuwsgierigheid verliezen. Dat is voor sommigen wellicht comfortabel en preferable, maar voor velen ook niet. Een overstap naar een andere sector kan juist weleens die mooie nieuwe upswing in een loopbaan brengen. Maar dan moet je wel een etiketje losweken…
 
Afgezien van het loopbaanaspect is er een andere reden om de hokjesgeest kritisch te beschouwen. De grote vraag is namelijk, hoe goed het voor een organisatie is om deze eenvormigheid in stand te houden. Verdiep je in bedrijven en maatschappelijke organisaties, die de laatste jaren in een vrije val hebben gezeten: groupthink speelde daarbij een belangrijke rol!
 
De kwaliteit van besluitvorming neemt toe naar mate er meer sprake is van diversiteit, minder van die groupthink. En diversiteit is veel meer dan alleen een kwestie van gender (ik schreef daar al eerder een Tweels Tweak over: The (un)usual suspects). Interessant is dan ook het statement van de invloedrijke opiniemaker Niall Ferguson, die nu ook columnist in het Financieele Dagblad is geworden: ‘Alle vormen van diversiteit worden op prijs gesteld, behalve diversiteit van denken.’ Het statement van Ferguson slaat weliswaar op de cultuur binnen Amerikaanse universiteiten, maar is wellicht ook waar voor andersoortige organisaties. Het binnenbrengen van (meer) bestuurders en toezichthouders uit andere sectoren, zou wel eens kunnen helpen om organisaties te bevrijden van groupthink. Om de luiken naar buiten open te zetten. Om weer meer intellectuele nieuwsgierigheid te hebben. Om andere geluiden te horen. Cross-overs kunnen daarbij helpen. Kortom: ik wens u meer Hans Martijn Ostendorp’s, Pier Eringa’s en Roger’s van Boxtel toe. ;-)

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(september 2018) 

Van debat naar dialoog

De (legitimatie-) kloof tussen het publiek enerzijds en het (semi-)publieke domein én ook de grote corporates anderzijds, lijkt dieper dan ooit tevoren. Dat is een rare paradox, zeker als je de Belgische schrijver David Van Reybrouck mag geloven: “Er is iets vreemds aan de hand met de democratie: iedereen lijkt ernaar te verlangen, maar niemand gelooft er nog in.” Voor Van Reybrouck reden om met vernieuwende initiatieven, zoals de G1000, te komen en intelligente werken te schrijven over participatie (zoals de essays “Tegen verkiezingen” en “Pleidooi voor populisme”). De crux volgens Van Reybrouck is dat de kloof op zijn minst deels gedicht kan worden door in te zetten op vernieuwing. Op het, anders, betrekken van de samenleving.
 
Ik denk dat hij voor een deel gelijk heeft. Het was voor de organisatie waar ik werk in ieder geval reden om in te gaan zetten op democratische-, participatieve- en bestuurlijke- vernieuwing. Met onder andere achterbanraadplegingen, streekconferenties en het doen laten herleven van het verenigingsgevoel. Daarmee  proberen we niet alleen de kloof te dichten (dat zou vooral eigenbelang zijn) – maar vooral om weer te worden wie we willen zijn (een beweging van mensen, midden in de samenleving). We zetten in op consultatie door het bespreken van dilemma’s, waardoor er echt contact komt en ontsnapt wordt aan grote woorden, waarin de nuance van de werkelijkheid verloren gaat.
 
Het blijft echter een zoektocht. En we zijn niet de enigen. Maatschappelijke organisaties, overheden, bedrijven: ze zijn allen meer-of-minder op zoek naar hun license to operate, naar begrip voor besluiten, naar participatie. Tegelijkertijd is de macht in de communicatieketen 180 graden gedraaid. De volatiele samenleving, die tevens een onzichtbare bestuurder is geworden heeft zijn entree gemaakt.
 
Dit vraagt om een nieuw soort contact met de samenleving. Inderdaad, het referendum heeft aan populariteit en legitimiteit ingeboet (een discussie die ik nu even buiten beschouwing laat). En ouderwetse inspraakavonden (waar vooral de professionele burger opwachting maakt – als ook direct belanghebbenden en de flanken met stellige opvattingen) zijn ook niet per definitie het antwoord meer. De vraag is: hoe dan wel?
 
Die vraag beantwoorden is nog niet zo eenvoudig. Gelukkig zijn er tal van mooie initiatieven zoals het Right to Challenge, dat ook door het Kabinet omarmd is. En er wordt ook heel wat afgestudeerd en geschreven. De grote stapel boeken die ik inmiddels hierover bezit, is daarvan de getuige. Recent is die stapel verrijkt met een zeer lezenswaardig essay: Het argument in de samenleving. Dit boekwerkje, uitgegeven ter gelegenheid van het jubileum van het Utrechtse adviesbureau

De Reputatiegroep geeft een compacte en eloquente beschouwing. Een oproep die men vooral doet aan bestuurders en hun communicatieafdelingen. Het is eigenlijk een manifest, een oproep: “Er is teveel debat en er is te weinig dialoog, waardoor het sentiment het argument overvleugelt.” Het essay is dan ook geen toolbox maar een pleidooi voor een mindshift. Een paar citaten: “Minder inzetten op verklaren, meer op begrip.”; “Wie fraaie kernboodschappen, wenselijke beelden en illusies blijft oppoetsen, is bezig met een achterhoedegevecht.” “Het adagium is Nothing about us, without usaan het worden. Beleid kan niet meer tot stand komen zonder de actieve betrokkenheid van degenen die het betreft.” 
 
Uitdagende stellingen voor bestuurders (en communicatieprofessionals). En mooie nieuwe ingrediënten in de discussie voor iedereen die betrokken is bij, vooral, de publieke zaak en legitimiteit. Aanbevolen food for thought!

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(augustus 2018) 

 

Resultaat vraagt om ambitieuze financiers (en toezichthouders)

Bestuurders (directeuren) zie je nog weleens worstelen met hun toezichthouders. Niet publiekelijk, dat zou een kiss-of-death zijn. Maar entre nous hebben bestuurders het er wel over. Nogal eens ziet men hun toezichthouders als lastig, kritisch. Als remmers. Het zijn vaak beginnende bestuurders die hiermee worstelen. En de wat meer onstuimige types.
 
Zeker deze laatste groep kan echter wel wat reflectie en gewetensvragen gebruiken en beginnende bestuurders moeten gaan zien dat toezichthouders grote waarde kunnen toevoegen. Zeker als toezichthouders zich concentreren op de twee primaire issues van het metier: Doen we de goede dingen? En doen we dingen goed? Dit zijn de zaken die in waan van de bestuurlijke dag te snel naar de achtergrond verdwijnen. Een goede rol dus. Een rol die ertoe bij kan dragen dat de organisatie tot grotere hoogte stijgt.  De impact aanzienlijk verbetert.
 
Is er dan geen probleem? Is dit alleen borrelpraat van bestuurders/directeuren? Stoom afblazen bij je peers? Nou, dat ligt iets genuanceerder. Er zijn genoeg voorbeelden van organisaties waar gerenommeerde toezichthouders, met een goed bestuurlijk of managerial trackrecord (die mooie resultaten hebben geboekt door hun ondernemende houding), in hun rol van toezichthouder een zeer lage risk appetite hebben. Dat hangt toch ook samen met het feit dat toezichthouden bij een maatschappelijke organisatie (of goed doel) als iets meer verhevens wordt gezien, of als iets totaal anders. Deels is dat goed. In die context toezichthouden vraagt immers om nét iets meer sensitiviteit, het gaat tenslotte om the public good
 
Maar dat is een deel van de werkelijkheid. Te lage risicobereidheid, remgedrag in plaats van de juiste (stimulerende) vragen stellen leidt tot minder resultaat. Oorzaak is toch ook die wat gespletenheid, die sommige toezichthouders ontwikkelen als ze in die rol komen. Goede doelen-goeroe Dan Pallotta, zet dat stevig aan in zijn bekende TED Talk. Er is wel wat af te dingen op de opvattingen van Pallotta, maar meer denken over wat we maatschappelijk zouden kunnen bereiken, in plaats van zwaarmoedig conservatisme, zou al een heel eind schelen. Maar met alleen proactiever toezichthouden zijn we er niet. Ook financiers spelen een grote rol in dit discours.
 
Nou is die Pallotta niet van de benauwde en spreekt hij hen aan. Terwijl de business magazines de loftrompet steken over de Giving Pledge van Bill Gates, Warren Buffett en consorten opent Pallotta de aanval. Nu heeft hij het niet meer over toezichthouders, risiciomijden of de communis opinion, maar over de grote(re) rol die financiers van goede doelen zouden kunnen spelen om idealen te verwezenlijken. In het Amerikaanse magazine Real Leaders spreekt hij Mark Zuckerberg en Priscilla Chan aan, die ook de Giving Pledge ondertekend hebben. Waarom zetten zij hun inventiviteit, ondernemerschap en innovatiekracht niet in om de fondsenwervingskracht van organisaties die zij steunen te verbeteren? In plaats van alleen geld te geven voor het doel, zonder groei-ambitie. Op zo’n manier kijken zou more bang for the buckbetekenen. Daar is het toch om te doen?
 
Terecht constateert Pallotta dat in de westerse wereld de omzet van goede doelen al jaren stationair is. Dat kan alleen veranderen als financiers en toezichthouders besluiten dat dit onvoldoende ambitieus is (we are here to change the world, idealen, u weet wel). Overigens, zonder die twee primaire vragen (Doen we de goede dingen? En doen we dingen goed?) te vergeten, laat dat duidelijk zijn. Want dat is hoe toezichthouders waarde toevoegen!

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(juni 2018)

 

De bestuurlijke lessen van Frank de Grave

Een van de lessen van De Grave: onze afrekencultuur leidt tot risicomijding
Een van de lessen van De Grave: onze afrekencultuur leidt tot risicomijding

‘Wat je dikwijls ziet in het openbaar bestuur, is dat niks doen beloning oplevert en je nek uitsteken tot afstraffing leidt.’ Dit citaat is van Frank de Grave, in het recent verschenen boek Grote Jongen Zijn, dat hij schreef met journalist Jan Tromp. 
 
De Grave beschrijft hoe hij in de jaren negentig, als Amsterdams wethouder financiën, het groene licht moest geven voor het IJ-oever project. Dat is goed afgelopen, maar hij vertelt ook wat er bestuurlijk mis had kunnen gaan. ‘Maar meneer De Grave, had u dan niet gelezen dat in de voetnoot op pagina 212 van de derde voortgangsnota gewag wordt gemaakt van ongewisheden en risico’s? Dus had u niet en had u niet en had u niet? Grimmig merkt hij op: ‘Stel, voetnoten van deze aard waren aangetroffen door een onderzoekscommissie, dan weet ik één ding zeker: ik was aan de hoogste boom opgehangen. Aan de hoogste boom.’  De Grave is stellig: er is een afrekencultuur ontstaan. In het openbaar bestuur, zeker. Maar volgens mij net zo goed in het maatschappelijk middenveld. Het resultaat volgens De Grave: besturen anno 2018 is als een renteniersrepubliek: niemand beweegt, iedereen blijft op zijn centen zitten. De hedendaagse afrekencultuur leidt tot terughoudendheid. Men vreest de publieke afstraffing. Een verontrustend oordeel: want waren we als bestuurders in het (semi-)publieke domein niet ooit begonnen, omdat we ergens in geloven, iets voor elkaar willen krijgen? 
 
Voor bestuurders en toezichthouders in het maatschappelijk middenveld is een mer-à-boire beschikbaar aan opleidingen en congressen over good governance. Dat is nuttig, no doubt about that. Toch is de kans groot dat je daar vooral leert over het vermijden van risico’s, in plaats van het managen van risico’s. Waarschijnlijk zal een flink aantal van de alumni van dergelijke opleidingen, nooit het startschot voor het IJ-oever project of de Amsterdam Arena hebben gegeven.
 
Nu gaat het me niet zozeer (of alleen) over het oordeel van De Grave over de renteniersrepubliek die we lijken te worden. Waar het me primair om gaat is dat bij goed besturen en toezichthouden (of het nu gaat om de publieke sector, het maatschappelijk middenveld of goede doelen), er méér komt kijken dan alleen beheersing van de techniek. Waarschijnlijk is het snappen wat de actuele mores is (en daarmee de maatschappelijke license to operate) van groter belang. Oog hebben voor hoe de panelen (de opvattingen) schuiven, of het nu gaat om transparantie, remuneratie, samenwerken, lobbyen, risico’s, of belangen. Oog voor de dilemma’s, oog voor het spel. Hoe krijg je iets voor elkaar? Nurture is voor een succesvolle bestuurder belangrijk, nature waarschijnlijk nog meer: een nieuwsgierige en onderzoekende geest. Introspectie is daarbij een sleutelbegrip. Met een beetje afstand naar je eigen functioneren - je organisatie en de samenleving - kijken.
 
Uit het vroegere Duitse satirische magazine Fliegende Blätter pikte ik dit citaat op: ‘De dwaas doet zijn ervaringen bij zichzelf op, de wijze bij anderen.’ Dit is precies waarom je het boek van De Grave en Tromp zou moeten lezen. Leren van de ervaringen en waarnemingen van een gepokt en gemazeld bestuurder. Beter dan menig cursus!

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(mei 2018) 


 

Relevant blijven? Tandje erbij!

Cultureel gezien een

interessante boekbespreking in het NRC, de recensie van de Amerikaanse bestseller ‘Great at Work’. In dat boek spoort Morten Hansen, hoogleraar aan Berkeley, zijn lezers aan om vooral niet méér dan 65 uur per week te werken. In de Nederlandse context levert dat een glimlach op. Recensent Alex van der Hulst geeft aan dat alleen al om dat statement, het boek niet erg interessant is voor de meeste Nederlanders. Inderdaad wij werken minder. Veel minder. Fulltime betekent bij ons 35 uur per week (in de praktijk gemiddeld 30,6 uur, het minste van alle EU-landen). En met een gemiddelde van 1.377 uur per jaar, werkt de Nederlandse werknemer veruit het minst ter wereld en de Zuid-Koreaan met 2.193 uur het meest.
 
Nu is de premisse waar Nederland zich comfortabel in wentelt: dat wij véél efficiënter werken dan de rest van de wereld. Wellicht is dat zo, alhoewel je jezelf kunt afvragen of je dertig procent minder inzet goed kunt maken door slimmer te werken. Maar om niet de onheilsprofeet uit te hangen: inderdaad de Nederlandse arbeidsproductiviteit, de bijdrage aan het Bruto Binnenlands Product (BBP) per gewerkt uur, is na Luxemburg en Noorwegen de hoogste van alle OESO-landen. Kleine kanttekening: ook de opbrengst van de gasbel in Groningen telt mee in het BBP (en laat daar nu nét wat mee aan de hand zijn…).
 
Maar goed: ons opleidingsniveau is toch nog steeds een van de hoogste ter wereld. Toch? De ongemakkelijke waarheid bracht de voorpagina van de krant verleden week:

het jaarlijkse verslag van de Onderwijsinspectie. Daaruit blijkt dat het Nederlandse basis- en voortgezet onderwijs zijn internationale toppositie is kwijtgeraakt. De resultaten in rekenen, lezen, wiskunde en natuurwetenschappen zijn de afgelopen twintig jaar teruggelopen. Ook de prestaties bij bewegings- en cultuuronderwijs glijden snel af. 

 

Grote vraag derhalve is óf we in Nederland (en West-Europa) onze mooie positie in de mondiale samenleving (economie) kunnen consolideren. Gaat dit vraagstuk aan onze sector voorbij? Daar wijst eerlijk gezegd niets op. Binnen een aantal grote internationale ngo’s is, onder het radarscherm en voorzichtig aan (bang voor reacties?), al de trend gaande dat meer-en-meer van de operatie uit Europa vertrekt. En er zijn ook signalen dat een aantal van die clubs met internationale betekenis na de Brexit Londen gaat verlaten. Een paar jaar geleden zou dan vestiging in Amsterdam, Brussel of Genève voor de hand liggen, nu zijn echter ook Singapore en Kuala Lumpur interessante opties. Ook surfen op internationale vacaturesites voor onze sector laat een dergelijk beeld zien. 
 
De kern van de zaak, hoe we Nederland (en dit deel van de wereld én onze sector) relevant kunnen laten blijven, wordt volgens mij het best geïllustreerd door de titel van het boek van hoogleraar Lidewey van der Sluis (Nyenrode): ‘Talent is goed, ambitie is beter’.

 

Of in de woorden van mijn wielertrainer, op het moment dat we er even doorheen zitten: ‘tandje erbij!’. Meer ambitie, meer inzet, meer opleiding en innovatie: het wordt de komende jaren belangrijker dan ooit tevoren.

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(april 2018) 

MKB: de verborgen maatschappelijke kracht

In onderzoeken als Geven in Nederland en diverse sponsoronderzoeken wordt vooral de rol van grote bedrijven in de samenleving (steun en financiering van goede doelen en andere maatschappelijke organisaties) uitgelicht. De rol en positie van het midden- en kleinbedrijf (MKB) komen amper aan bod.
 
Wat niet uit die onderzoeken naar voren komt, is de wezenlijke rol die het MKB in de samenleving speelt. Sportverenigingen, dierenambulances, hospices, voedselbanken, ziekenhuizen en al-dan-niet-lokale goede doelen worden ruimhartig ondersteund. Met geld, zeker, maar ook met diensten, handjes, denkkracht en producten. De werkelijke impact hiervan zien we in geen enkel onderzoek terug. Waarom niet? Waarschijnlijk omdat mkb-ers gewoon dóen, de afweging of iets fiscaal aftrekbaar is (anbi), of een doel wel of niet erkend is (CBF) speelt nagenoeg geen rol. En ja, zo blijf je statistisch gezien onder de radar.
 
MKB'ers zijn nadrukkelijk onderdeel van de lokale samenleving. Ze doen gewoon mee, dát is de mentaliteit. Ik zag het kortgeleden van nabij in mijn eigen dorp. Waar grote organisaties en instellingen al jaren praten over (en studeren op) de integratie van jongeren met een beperking in het werkproces, deden MKB'ers in mijn dorp gewoon wat. Vijftig stageplekken werden in no-time geregeld. Er zijn legio van dit soort voorbeelden, die helaas beperkt zichtbaar zijn.   
 
Tegelijkertijd zie je in de overzichten van de financiering van goede doelen een andere omissie. Met een knipoog zou je daarbij de Britse staatsman Benjamin Disraeli kunnen aanhalen: There are three kinds of lies: lies, damned lies, and statistics. Want ja, het lijkt alsof donateurs zo’n beetje al het geld voor het goede doel bij elkaar brengen. En we zien de explosieve groei van Social Fundraising (sportevenementen waarvoor deelnemers zich laten sponsoren, zoals Alpe d’HuZes) als nieuwe inkomstenbron voor organisaties. Maar eerlijk is eerlijk: het geld dat deelnemers meebrengen is in belangrijke mate afkomstig van het mkb. Sponsoring van de winkel om de hoek, de bevriende aannemer, de autodealer.
 
Underexposure, die past in een algemenere trend. Zo staan de kranten vol met berichten over de grote corporates in ons land. Een serieuze disbalans: het MKB wordt zo ongeveer vergeten. Merkwaardig, vooral als we naar de cijfers kijken: zeventig (!) procent van de werkgelegenheid wordt door het MKB geboden en 61 procent van het Bruto Binnenlands Product komt op hun conto!
 
Kortom: niet alleen de maatschappelijke, maar ook de sociaal-economische betekenis van het MKB, is underexposed en underrated. Vreemd. Onterecht.
 
Lees ook: 'MKB stopt jaarlijks ruim een miljard in lokale maatschappelijke clubs'

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(maart 2018) 

 

De menselijke maat: Van Big Data naar Small Data

De menselijke maat: Van Big Data naar Small Data
De menselijke maat: Van Big Data naar Small Data

Of je nu het Financieele Dagblad openslaat of vakbladen over management of marketing: het gaat over Big Data. Welhaast een tover- of een buzz-begrip, waar bestuurders zich in móeten verdiepen. Het elektronisch verzamelen, opslaan, uitwisselen, verwerken en interpreteren van gegevens is data science geworden. En bovenal een belangrijk instrument voor onderzoek en marketing. En steeds-en-steeds meer óók instrument voor besluitvorming. Geen bestuurder kan er meer omheen; dit is onderdeel van het bestuurlijk ambacht aan het worden (of al geworden). Initiatieven zoals

Singularity University laten zien wat er nu en straks (al) kan en wat u en ik moeten gaan bijleren.
 
Interessant. Onontkoombaar. En toch, tegenover al deze rationaliteit past een tegengeluid. Weet u het nog? Opiniepeilers en data-analisten lieten helder zien dat de Brexit er niet zou gaan komen en dat Hillary met een landslide de verkiezingen zou gaan winnen. Als de deskundigen van toen zich meer bezig hadden gehouden met Small Data, had men waarschijnlijk andere voorspellingen gedaan. Wat dat zijn: Small Data? Big Data gaan, simpel gezegd, over machines en correlaties. Small Data gaan over het vinden van oorzaken, the reason why. Het is tegenover high tech het persoonlijke contact, maar ook wat ik graag boerenslimheid noem. Wie in Londen in de pub zou hebben gezeten vóór het referendum, had de uitslag kunnen opsnuiven. Maar ja, daar zaten de deskundigen niet. En tegenover de popular vote (meerderheid aan stemmen) voor de Amerikaanse Democraten, zetten de Republikeinen al jaren het instrument gerrymandering in (het slim indelen van kiesdistricten). Dat indelen is de laatste jaren overigens een interessante mix van Big en Small Data. Boerenslimheid eigenlijk. Maar succesvol. Zeker.
 
Datawijsheid is dus niet de panacee voor alle kwalen. Het verheugde me dan ook om recent, in MarketingTribune, het statement van Daan Muntinga (strateeg bij het Amsterdamse communicatiebureau Mensch) te lezen: ‘Achter je computer leer je je consumenten niet kennen. Marketeers moeten meer bedreven worden in Small Data: mensen observeren, vragen, bestuderen. Alleen door je weer onder mensen te begeven, kom je erachter hoe je je met ze kunt verbinden.’ Het artikel sluit af met de mooie quote van John le Carré: A desk is a dangerous place from which to view the world.
 
Laat ik helder zijn. Ook in mijn professionele leven spelen Big Data een steeds grotere rol. Maar waar leer ik uiteindelijk het meest van? Van met mensen praten, op bezoek gaan naar avonden van onze vrijwilligers, door te lezen, door zelf te onderzoeken, door open minded te zijn. Zo bezocht ik verleden week mijn Vlaamse collega’s. Slechts vijftien kilometer onder Breda, werd ik geconfronteerd met nagenoeg dezelfde uitdagingen, maar met een écht andere context en andere oplossingen. Food for thought! Reizen is misschien wel de beste manier is om jezelf te voeden, je te ontwikkelen als bestuurder.
 
Ach, er is niets nieuws onder de zon. Lang geleden schreef dichter-politicus Alphonse de Lamartine het al: Alleen hij is een volledig mens, die veel gereisd heeft, die de vorm van zijn gedachten en van zijn leven twintigmaal veranderd heeft. Small Data avant la lettre!


 

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(februari 2018) 

Pensionado Politics & het democratisch deficit

Hoe is het met de representativiteit van politici in 2018? Zouden niet meer mensen uit de goede doelensector in de politiek vertegenwoordigd moeten zijn?
Hoe is het met de representativiteit van politici in 2018? Zouden niet meer mensen uit de goede doelensector in de politiek vertegenwoordigd moeten zijn?

 

In 1993 deed het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (nu VNO NCW) onderzoek naar de beroepsachtergrond van politici. De titel van het boekwerkje dat daarover verscheen, was eigenlijk ook gelijk de conclusie: Een democratie van ambtenaren en leraren. Het feit dat weinig volksvertegenwoordigers uit het bedrijfsleven afkomstig waren, leidde met enige regelmaat tot het luiden van de noodklok door ondernemersorganisaties. Overigens zonder dat dit veel effect had of dat men er zélf actief wat mee ging doen.

 

De vraag is of de representativiteit van politici anno 2018 verbeterd is. Zijn er meer mensen uit de marktsector actief in vertegenwoordigende lichamen? En what puzzles me more, is of er ook volksvertegenwoordigers afkomstig zijn uit de goede doelensector! Of is er nog steeds sprake van een dominante positie van ambtenaren en leraren?

 

Surfend en volop gebruikmakend van Google, kom ik tot de conclusie dat de professionele herkomst (spreiding!) van politici níet substantieel verbeterd is. Een klein waarneembaar verschil is, dat sinds de economische crisis, zzp-ers in enige mate hun entree in de politiek hebben gemaakt. Gezien de financieel benarde positie van een aanzienlijk deel van deze beroepsgroep, roept dit de vraag op of dit door de centjes gedreven is en/of deze entree duurzaam van aard is. Notabene: deze uitkomsten poneer ik overigens zonder wetenschappelijke pretenties òf de claim van het ultieme gelijk.

 

Bijzondere uitkomst van mijn privé-onderzoekje: de enige échte verschuiving die waarneembaar is, is dat de gemiddelde leeftijd van lokale en regionale politici sinds het onderzoek uit 1993 fors, heel fors, gestegen is. Zestigplussers en gepensioneerden domineren menig vertegenwoordigend orgaan.

 

De roep om meer diversiteit qua professionele achtergrond en leeftijd zou luider moeten klinken. Pensionado politics is niet wenselijk voor een evenwichtige belangenafweging. En de combinatie met een relatief eenzijdige professionele achtergrond, leidt tot een democratisch deficit. In een representatieve democratie zou ook echt sprake moeten zijn van representatie.

 

Inderdaad, ondernemersorganisaties mopperen hier al langer over, maar de goede doelenwereld blijft hierover oorverdovend stil. En dat is vreemd. Een sector die miljoenen mensen als lid of donateur weet te binden, een enorme maatschappelijke impact heeft, met privaat geld mooie dingen doet voor de publieke zaak en cruciaal is in de door de politiek zo vurig gewenste participatiesamenleving, zou meer mensen in volksvertegenwoordigende lichamen moeten hebben. Natuurlijk, hier-en-daar zien we wel een enkele toezichthouder uit onze branche parttime politiek bedrijven, maar actieve beroepsbeoefenaars uit onze wereld?

 

Zeker nu, in een periode waarin de goede doelensector van de Haagse radar verdwenen lijkt

(lees hier de beschouwing daarover van hoofdredacteur Edwin Venema),

is betere representatie van grote betekenis voor een goede afweging van belangen. Sterker nog: het is in het belang van de kwaliteit van ons openbaar bestuur, in het belang van onze sector, in het belang van Nederland.

 

Een taak voor politieke partijen. Zeker. Maar ook voor de sector zelf die de hand in eigen boezem dient te steken. Wat doen wij eraan? Gelukkig komen er de komende jaren weer een aantal verkiezingen aan. Nieuwe ronde, nieuwe kansen!

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(januari 2018)

 

Waakzame burgerkracht houdt overheden op het rechte spoor

Het is het laatste oerbos van Europa en beroemd onder natuurliefhebbers uit de hele wereld: Białowieża in Polen. Een biodiversiteitsparadijs met 1.200 plantensoorten, bevers, de grootste populatie van de Europese bizon (de wisent), wolven, lynxen, edelherten en bijzondere vogelsoorten. Dit bos wordt, ondanks druk van internationale instanties en deskundigen, in razend tempo gekapt (de overheid is verleid door de financiële winst op korte termijn). Wat wél zou helpen in Polen, is publieke tegendruk. Die is in Polen echter té marginaal om van betekenis te kunnen zijn. De civil society is onvoldoende ontwikkeld. Goede doelen hebben te weinig leden en mobilisatiekracht. De kap gaat derhalve door…
 
Het concept responsible government staat steeds meer onder druk, wereldwijd. Denk maar aan de ontwikkelingen in politiek en bestuur in Turkije, China, Rusland, het Verenigd Koninkrijk, de US, Catalonië… Volatiliteit alom!
 
Deze volatiliteit vraagt om countervailing power van ngo’s: burgerkracht die overheden op het goede spoor houdt. Organisaties die kritisch beschouwen wat er gebeurt. Een les voor onze sector, want ook daarin is het vertrouwen in de overheid in zijn algemeenheid erg groot. Maar laat die politieke volatiliteit niet juist zien dat waakzaamheid geboden is? Wantrouwen is niet goed, maar blind vertrouwen ook niet! Goede doelen/ngo’s kunnen grote waarde hebben als tegenkracht.
 
In minder politiek roerige samenlevingen als (gelukkig) de onze, kan de sector echter ook een goede voorkracht zijn. Een rol die goed bij onze sector kan passen - een rol die mij persoonlijk ook meer aanspreekt. We moeten tenslotte niet alleen dingen tegen willen houden, maar toch ook vóóral onder-aan-de-streep resultaten boeken? Where’s the beef?
 
Met een Kabinet dat bestaat uit vier partijen en een Tweede Kamer gevuld door dertien fracties, is het in Nederland de grote vraag of er voldoende voortgang kan worden geboekt op allerhande thema’s. Polarisering, politisering en daardoor mogelijk besluiteloosheid en stilstand liggen op de loer.
 
Maatschappelijke akkoorden kunnen een belangrijk instrument zijn om een standstill te voorkomen.

Bestuursadviseur Hans Ludo van Mierlo schreef in het Financieele Dagblad, ten tijde van de kabinetsformatie, treffend hoe dergelijke akkoorden (breed gedragen) daadkracht kunnen bevorderen.

 

Het Energieakkoord, het Kustpact en de gesprekken die nu gaande zijn over een ‘Deltaplan Biodiversiteit’ (een oploop van wetenschappers, ngo’s en bedrijven, waarbij de politiek voorlopig niet mee mag doen!) zijn de voorbeelden van deze tijd. Voorkracht.
 
Zijn er dan geen nadelen aan verbonden? Jazeker wel, corporatisme ligt op de loer, democratische besluitvorming wordt er potentieel door uitgeschakeld. Een thema waar minister-president Rutte in de Eerste Kamer verleden week aan refereerde. De politiek moet het laatste woord hebben en houden, zo hoort dat in een democratie!

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(december 2017)

Koester de Vrijheid van Vereniging!

Koester de Vrijheid van Vereniging!
Koester de Vrijheid van Vereniging!

‘Goede doelen moeten beter samenwerken.’ ‘Goede doelen moeten niet concurreren.’ ‘Er zijn te veel goede doelen die hetzelfde nastreven.’ Dit zijn statements die zo’n beetje de communis opinio in ons land zijn. Begrijpelijk. Toch? Er is immers alle reden om de wenkbrauwen te fronsen, als even googlen je leert dat er meer dan dertig goede doelen zijn die zich richten op kankerbestrijding. Als je verder graaft, zie je echter ook de voordelen van deze ogenschijnlijke fragmentatie. Alpe d’HuZes en Pink Ribbon hebben bijvoorbeeld, in het afgelopen decennium, de awareness en publieke betrokkenheid rond kanker enorm vergroot (en dat is dan nog een understatement) en daarmee de sleeping beauty KWF Kankerbestrijding wakker gekust.
 
Inmiddels werken KWF Kankerbestrijding en Alpe d’HuZes uitstekend samen en is Pink Ribbon zelfs een merk binnen KWF geworden. KWF heeft zich slim en goed ontvankelijk getoond voor signalen uit de samenleving (de markt). Concurrentie, competitie: het leidde tot het vergroten van de koek en daarmee van de effectiviteit. Olietankers hebben speedbootjes nodig om ze op scherp te zetten! Diversiteit is goed om innovatie aan te jagen. Hoe meer clubs, hoe beter zou je bijna zeggen… of is dat not done?
 
Afgezien daarvan: als al die goede doelen die in enige mate hetzelfde propageren, zouden fuseren: zou daarmee de effectiviteit toenemen? De pleitbezorgers van dergelijke samensmeltingen, zijn vaak ook dezelfde personen die te hoop lopen tegen de schaalvergrotingen in zorg en onderwijs (die tot molochs hebben geleid). Daarvoor is inmiddels ook heel wat minder applaus dan een jaar of vijftien geleden…
 
Nog niet zo lang geleden zei een Tweede Kamerlid tegen me dat hij ‘het vermoeiend vond om al die groene organisaties langs te zien komen met hun statements.’ Zijn vraag was ‘of de groene clubs niet één persoon of organisatie konden sturen, om een gemeenschappelijk standpunt te verkondigen’. Mijn repliek was dat dit een goed idee was, mits de politiek (van SP tot VVD) dan ook één afgevaardigde kon sturen, met een gemeenschappelijk standpunt. Een wat naïef Kamerlid dus, die vergeten was dat organisaties weliswaar op hoofdlijnen hetzelfde kunnen beogen, maar dat daaronder verschillende visies, achterbannen en aanpakken liggen. Net als in de politiek eigenlijk. En ook heel Nederlands. Liefhebbers van complottheorieën zullen in dit Kamerlid een pacificatie-strateeg vermoeden. Volgens mij gaat het ergens anders over: het onderschatten van een elementaire waarde in onze samenleving, de Vrijheid van Vereniging.
 
Goede doelen zijn organisaties van betrokken burgers die ergens vóór of tégen zijn, een ideaal of een belang vertegenwoordigen. Ze zijn bij uitstek het kroost van de negentiende-eeuwse liberalen, die in Vrijheid van Vereniging het ultieme middel zagen om (politieke) druk uit te kunnen oefenen op bestuur en maatschappij. Daarmee geven ze kracht aan de samenleving. De vrijheid om je te kunnen verenigen, voor wat jij belangrijk vindt, is vastgelegd in artikel acht van onze Grondwet. Hoe effectief of non-effectief we dat ook mogen vinden. Het is de kracht achter het maatschappelijk middenveld. Het is de vrijheid die we hebben om op te staan. Artikel acht is misschien wel het mooiste artikel uit onze Grondwet!

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe

 

(november 2017)

 

 

 

 

Bestuurders: we zijn allen passanten...

Ook bestuurders zijn passanten en nooit belangrijker dan de organisatie waar zij voor werken
Ook bestuurders zijn passanten en nooit belangrijker dan de organisatie waar zij voor werken

Dames en heren bestuurders, het is voor sommigen onder u teleurstellend: maar leiderschap is aan tijd en plaats gebonden. We zijn allen passanten; een tijd(je) van betekenis voor de prachtige organisatie waar we voor werken, we doen wat nodig is, dienen de missie, zijn er met onze specifieke vaardigheden op het juiste moment in de ontwikkeling van een organisatie en op een gegeven moment is de chemie uitgewerkt en wordt het tijd om te gaan. Daar is niets mis mee.
 
Het besef dat de vent niet de tent is, blijkt in de praktijk van alle dag toch lastig. Erg lastig.
Zo ken ik van nabij het voorbeeld van een bestuurder, die zich na zijn vertrek geregeld kwam beklagen bij zijn oude club, dat hij niet meer uitgenodigd werd voor allerlei belangwekkende bijeenkomsten (van zijn externe netwerk). Waarom kwamen die in hemelsnaam bij een ander terecht? Na twintig jaar op de bok te hebben gezeten, was hij zijn relativeringsvermogen kwijtgeraakt. Het zicht kwijt op het feit dat hij niet werd uitgenodigd om wie hij was, maar om wat (de organisatie) hij representeerde. Weg is weg, dat besef drong slechts moeizaam door.
 
‘Je grootste vijanden, zijn je voorganger en je opvolger.’ Ik weet niet meer van wie ik dit ooit hoorde, maar de portee van dit statement is dat je eerst bezig bent met puinruimen van je voorganger, en nadat je weg bent maakt je opvolger er weer een zooitje van… Dit horen we vaak. Toch?
 
Jezelf té serieus nemen: het is het karakterbedervende aspect van leiderschap. Aan de eerdere voorbeelden moest ik de laatste tijd herhaaldelijk denken. Vooral als ik ingezonden brieven in kranten lees. Regelmatig kom ik dan epistels van personen tegen, die ondertekenen met ‘oud-directeur van ….’. Ja, óók uit de goede doelensector.
 
Tamelijk ergerlijk (overdreven, want ik erger me niet zo snel) dat deze oud-bestuurders krampachtig pogingen doen om in de picture te blijven, op oude roem proberen te blijven teren. Feitelijk ten koste van hun voormalige organisatie, van hun opvolger, want daar zijn de pijlen in de brieven veelal op gericht. Ook niet erg chique overigens (Maak ruimte voor je opvolger! Maak ruimte voor andere opvattingen!).
 
Maar misschien is het ook wel - en vooral - het gebrek aan loyaliteit, het spuwen in de bron waar je uit gedronken hebt, waar ik moeite mee heb. Dat bekroop me in ieder geval ook bij het lezen van de politieke memoires van VVD-politica Ybeltje Berckmoes (Voorlichting loopt met u mee tot het ravijn) en die van SP-politica Sharon Gesthuizen (Schoonheid macht liefde: In het leven en de politiek). Intrigerend proza, platte nieuwsgierigheid bevredigend, maar naar mijn smaak niet getuigend van ware clubliefde. Laat staan van het besef dat we allen passanten zijn.

 

Meer nieuws over besturen, doneren en sociaal investeren op De Dikke Blauwe.

 

(oktober 2017)

 
Speciaal voor de juridisch geschoolden, met passanten bedoel ik hier dus gewoon voorbijgangers… Voor de niet-juridisch geschoolden: een passant is in het Wetboek van Strafrecht een persoon die vast zit in een Huis van Bewaring en veroordeeld is tot een gevangenisstraf en/of TBS en in afwachting is van plaatsing in een gevangenis of een TBS-inrichting ;-) Zo erg is het nu ook weer niet met onze bestuurders…
 

Pleidooi voor provincialisme

Millennials, de generatie die geboren is tussen 1980 en 1995, doen álles anders. Ze hebben een andere work-life balance, ze geven niet om bezit, de deeleconomie ‘is hun ding’ en zo kunnen we nog wel even doorgaan.
 
Politieke partijen, maatschappelijke organisaties en goede doelen constateren (?) dit en velen van hen zijn met deze thema’s aan de slag. Millennials duiden is een belangrijke bezigheid geworden. Alles wordt immers anders! Gebaseerd op feiten? Of zijn het ontwikkelingen die men graag zou wíllen zien en daarom als feiten aanneemt?
 
Tijd voor een fact check. In het NRC Handelsblad (lees hier) fileert Wouter van Noort een aantal van de aannames omtrent Millennials. Wat blijkt? Hoe ouder Millennials worden, hoe meer ze dezelfde zaken aanschaffen als de generaties voor hen. Uit onderzoeken, onder andere van het CBS (lees hier), Autotrader en Bloomberg, blijkt dat Millennials gewoon (weer) grote auto’s en huizen kopen.
 
Ook Harvard Business Review (lees hier) maakt gehakt van waarnemingen dat Millennials anders in hun werkleven staan: ‘Betekenisvolle verschillen tussen generaties bestaan waarschijnlijk niet.’
 
Hoe komt het dan dat ‘we’ denken dat er van alles verandert in onze samenleving, in het betreffende leeftijdscohort? Volgens mij heeft dat met een aantal zaken te maken. Allereerst met het ontberen van nuchterheid. Trends moet je onderzoeken, feiten tot je nemen: facts matter. CBS-cijfers en dergelijke zeggen uiteindelijk meer dan aannames. Saaier dan mooie theorieën ontwikkelen, wél nodig.
 
Wellicht belangrijker nog: wat je zelf ziet is niet altijd de waarheid. Ik hoor het bestuurders om mee heen wel zeggen ‘mijn kinderen kijken heel anders naar bezit dan wij’. Dat zal waar zijn, maar daarmee gaat het niet per definitie om een brede maatschappelijke trend. Het is ook de zelfbevestiging van de Randstedelijke culturele-maatschappelijke elite, waarin peers elkaars meningen en observaties delen, waardoor een versterkend effect ontstaat.
 
En last-but-not-least het gaat over het functioneren van de media. Daarin en daarmee wordt voorgaande nog verder versterkt. Maar laten we eerlijk zijn: hoeveel zicht hebben de media nog echt op wat er buiten Amsterdam gebeurt? Ik was onlangs bij een buitengewoon informatief congres, waar belangwekkende dingen gezegd werden over burgerparticipatie. Geen media aanwezig. Waarom? Te ver weg was de respons, he-le-maal in Vorden… De jammerlijke teloorgang van een groot deel van de lokale en regionale media betekenen, dat de media weinig verslag meer doen, weinig zicht meer hebben op hetgeen er buiten de Randstad gebeurt. Het vertekent de realiteit.
 
Deze Tweels Tweak is een Pleidooi voor provincialisme. Provincialisme, omdat er buiten de Randstad ook nieuwe ontwikkelingen zijn (ja, écht), omdat het een goede contramal is voor hetgeen er elders in het land gebeurt, maar óók omdat er nog een zekere nuchterheid regeert: feiten onderzoeken, alvorens ze ‘algemeen verbindend te verklaren’.

 

(september 2017)

Never the twain shall meet. Of tóch?

‘Oh, East is East, and West is West, and never the twain shall meet.’ Dit citaat van Rudyard Kipling zou ook op kunnen gaan voor smaken (visies) op toezichthouden. Vooral als het gaat om het Amerikaanse versus het Rijnlandse model - letterlijk de verschillen tussen oost en west dus. Toezichthouders in de VS komen vooral met hun portemonnee - zijn vaak meer major donors dan RvT-leden (google maar eens hoeveel Boardmembers het doorsnee Amerikaanse goede doel heeft) - en/of vooral brand advocates(zichtbare voorvechters van waar de organisatie voor staat). Bijna het tegenovergestelde is aan de hand in Nederland en omringende landen - daar is toezichthouden een professie geworden. Nuchter. Professioneel. Zakelijk. Afstandelijk soms.
 
Nu is dat eigenlijk erg goed. Met de komst van governance-codes en modernisering van opvattingen, zijn een paar zaken (gelukkig) beetgepakt. En dat was nodig ook. De hygiëne is nu beter op orde, ook door relatief simpele ingrepen als bijvoorbeeld het inperken van zittingstermijnen. En ook de invulling van topposities vindt langzamerhand beter plaats dan voorheen.
 
Prima dus? Nou nee. De regelzucht begint door te slaan. Toezichthouden wordt te veel ticking-the-box als we niet oppassen. En door allerlei oprispingen in de media zijn toezichthouders in toenemende mate bevreesd voor hun reputatie. Niet onterecht trouwens, als we de hijgerigheid van sommige media in ogenschouw nemen (ja, fake news bestaat, ook in Nederland). Gevolg van die angst, is nóg strengere governance regels - elk risico moet uitgesloten worden… Geïnstitutionaliseerd wantrouwen…
 
Marcel Dopper, adviseur maar ook toezichthouder bij het mooie goede doel  www.wielewaal.nl, schreef een goede column over die angstreflex in het vakblad BoardRoom Zorg. (Hier te lezen.)
Een paar citaten: ‘Een beleidsmedewerker van VWS zag kort geleden af van een lidmaatschap van de Raad van Toezicht bij een zorginstelling. Een aanscherping van de gedragsregels over nevenfuncties voor medewerkers van het departement was de aanleiding voor deze beslissing. Dat lijkt op het eerste gezicht erg correct en passend binnen de huidige verhoudingen waarbij elke schijn van belangenverstrengeling er één te veel is. Maar het levert paradoxaal wel problemen op met good governance!’
 
‘Good governance gaat namelijk niet alleen over de zuiverheid van het toezicht, maar ook over inhoudelijk goed toezicht. Je moet niet alleen de juiste balans vinden in afstand en betrokkenheid (zowel intern tussen bestuurder en toezichthouder als extern met betrekking tot nevenfuncties), maar ook weten waar je toezicht op houdt.’
 
‘Toezichthouders moeten dus ook kennis hebben van de organisatie waarop ze toezien. Die is in grote hoeveelheden aanwezig. Vanwege de toenemende samenwerkingsverbanden, is er echter bijna geen toezichthouder met kennis van zaken te vinden die geen band heeft met een andere organisatie. Zo wordt het voorkomen van de schijn van belangenverstrengeling een braindrain voor het toezicht.’
‘Hoe komen we uit deze spagaat? Zorg voor het tegengaan van belangenverstrengeling in plaats van het tegengaan van de schijn van belangenverstrengeling. Die schijn wordt altijd bepaald door anderen en zorgt daarmee voor risicomijdend toezicht, terwijl er juist stevig en ondernemend toezicht nodig is om zorginstellingen door transities en transformaties te loodsen.’
 
Mijn duiding: we moeten weer een beetje naar het westen opschuiven. Tegelijkertijd is zichtbaar (onlangs viel me dat nog op bij een bezoek aan een aantal Amerikaanse charities en een gesprek met een internationale Board), dat men in het westen naar ons werelddeel kijkt. Want toezicht moet aan de andere kant van de oceaan echt een slagje dieper (professioneler) worden.
 
Beide modellen zouden naar elkaar moeten groeien. De oplossing zit hem (wellicht) in het Triple W-model, dat in een steeds meer internationaal opererende goede doelen opgang doet. Triple W betekent dat van toezichthouders Wealth wordt verwacht (niet alleen toezichthouden, maar ook écht zelf financieel bijdragen), en verder Wisdom (sterke connectie met de missie van de organisatie -  èn professionele vaardigheden om echt goed toezicht te kunnen houden) - en tot slot Work (inzet om de organisatie écht een stukje verder te helpen - door zelf de handen uit de mouwen te steken).
 
Maybe the twain shall (dus-toch-nog) meet?

 

(juli 2017)